Het belang van lichaamsvet voor de ondersteuning van de leg is al langer bekend. In de jaren ’90 lag de focus hierbij voornamelijk op de opfokfase, waarbij lichaamsontwikkeling, en met name vetreserves, werd gekoppeld aan de energiehuishouding. Een hogere vetreserve werd destijds als positief beschouwd, omdat dit hennen zou helpen om succesvol in productie te komen.
Lieske van Eck: “Recente inzichten laten zien dat dit beeld genuanceerder is. De optimale hoeveelheid lichaamsvet is sterk afhankelijk van de leeftijd van de hen.” Zowel een te hoog vetgehalte (obesitas) als een te laag vetgehalte (ondervoeding) leidt tot een verminderde eiproductie. Lichaamsvet beïnvloedt namelijk niet alleen de energievoorziening, maar speelt ook een belangrijke rol in de regulatie van ovulatie via de productie van adipokinen (hormonen).
Dankzij nieuwe technologische ontwikkelingen is het inmiddels mogelijk om lichaamsvet nauwkeurig te meten, zonder sectie te doen. Lieske: “Dit is relevant, omdat er aanzienlijke variatie bestaat tussen individuele hennen. Zo kunnen vetreserves van hennen met een vergelijkbaar lichaamsgewicht van 1800 gram sterk verschillen (bijvoorbeeld 20 versus 200 gram vet). Voor een optimale legprestatie vraagt dit om een verschillende voeraanpak.”
Door lichaamsvet op strategische momenten in de productiecyclus te meten, kan de nutriëntenbehoefte nauwkeuriger worden bepaald. Dit maakt het mogelijk om voeding gerichter af te stemmen, met als doel een verbeterde en langdurige legprestatie.