Waarom is het juist dit jaar belangrijk om kritisch naar het gebruik van snijmais te kijken?
“Door de droogte verwachten we dat zowel de opbrengst als de kwaliteit van snijmais op veel plaatsen tegenvalt. Bedrijven komen voor de keuze te staan om mais bij te kopen, waarbij een goede kwaliteit schaars is. Daardoor kan de prijs behoorlijk oplopen. Ons advies is om nooit slechte mais aan te kopen. Als je mais aankoopt, koop dan altijd mais van goede kwaliteit. Als dit kostprijs technisch lastig is, is een alternatief om een kleinere hoeveelheid aan te kopen en een deel te vervangen door mengvoer en/of grondstoffen.’’
Welke mogelijkheden zijn er bij rosékalveren om snijmais te besparen?
“Een interessant alternatief om mais te besparen bij rosékalveren is om de starters na aankomst op het afmestbedrijf of in de afmeststal de eerste groeiperiode een rantsoen te verstrekken zonder snijmais. In dit geval hebben we het over een mengsel van mengvoer en/of krachtvoerachtige grondstoffen, aangevuld met fijn gehakseld stro. Dit geldt zowel voor bedrijven die zelf opfokken en afmesten, als voor afmestbedrijven die starters aankopen. In steeds meer startstallen wordt nu al geen of een minimale hoeveelheid mais gevoerd. Dit is zeer positief voor de (jeugd)groei van de kalveren. Daarbij kan het risicovol zijn om deze kalveren te verplaatsen naar afmeststallen waar men wel gewend is om mais te voeren. Vaak blijkt deze werkwijze, samen met transport, verplaatsing en nieuwgroepering van het kalf, te veel veranderingen op hetzelfde moment met zich mee te brengen.’’
Het advies van Voergroep Zuid is om kalveren op te vangen met meel en stro. Waarom?
“Onze ervaring is dat kalveren harder groeien als ze met meel en stro worden opgevangen. Er is op dat moment sprake van een hogere voeropname, doordat het rantsoen constant en droog is en steeds dezelfde samenstelling heeft. Dit in tegenstelling tot een rantsoen die voor een groot gedeelte bestaat uit andere en vaak veel vochtigere (bij)producten dan de kalveren gewend waren. De hoge voeropname en de verlaagde kans op voermanagementfouten, als gevolg van de constante samenstelling, is absoluut positief voor de gezondheid van de kalveren. Al deze factoren maken dat de groei veel beter is dan in de uitgangssituatie van kalveren op een startrantsoen met snijmais. Belangrijk voordeel bij deze aanpak is dat tijdens de opvangperiode geen gebruik gemaakt hoeft te worden van de beperkt beschikbare voorraad snijmais.’’
Over hoeveel snijmais besparing hebben we het dan?
“Dat kan behoorlijk oplopen. Vanaf ongeveer levensweek 13 tot en met week 18 bestaat normaal gesproken zo’n 35 procent van de droge-stofopname uit snijmais. Een kalf neemt in deze periode gemiddeld 4 kilo droge stof per dag op. Wanneer we rekenen met 35 procent snijmais en gedurende vijf weken geen mais voeren, besparen we ongeveer 50 kilo droge stof snijmais per kalf.”
Wat betekent dat op bedrijfsniveau?
“Stel dat je een goede maisopbrengst van 16 ton droge stof per hectare haalt. Bij opvang van iedere 100 kalveren op een opvangrantsoen zonder mais in de eerste vijf weken, staat een besparing van 50 kilo droge stof per dier gelijk aan 5.000 kilogram droge stof. Anders gezegd; de opvang van 320 kalveren op meel en stro levert op deze manier een besparing van één hectare snijmais. Alleen al door de kalveren tot ongeveer levensweek 18 met meel en stro op te vangen, kun je dus al een aanzienlijke hoeveelheid mais uitsparen.”
Zijn meel/stro rantsoenen voor rosékalveren ouder dan 18 weken ook interessant?
“Dat kan. Als je de periode van levensweek 18 tot en met 26 meeneemt, wordt de besparing nog groter. In deze periode ligt de gemiddelde droge-stofopname op ruim 6 kilo per kalf per dag. Als normaal gesproken 30 procent daarvan uit snijmais bestaat, gaat het om ongeveer 1,80 kilo droge stof uit mais per dag. Op negen weken komt dat neer op ongeveer 114 kilogram droge stof snijmais per kalf. Een groep van 100 kalveren tot 26 weken op meel en stro levert dus één hectare lagere snijmaisbehoefte op. In deze leeftijdscategorie is het wel belangrijk om de verschillen in voerkosten tussen rantsoenen met mais en rantsoenen zonder mais goed in de gaten te houden. De grote plus wordt vooral in de eerste weken gehaald. Het is vaak logisch om op een later moment toch over te schakelen op rantsoenen met snijmais, zeker als de prijs van goede kwaliteit mais duidelijk lager is dan 80 euro per ton.’’
Wanneer heeft deze opvang het hoogste rendement?
‘’Wanneer sprake is van een tekort aan snijmais is het advies om zeker in de herfst gebruik te maken van het meel/stro concept bij de opvang. Verse, recent ingekuilde mais voeren is nooit positief voor de groei. Verder is de positieve werking van een meel/stro rantsoen met betrekking tot diergezondheid vooral in de herfst het meest welkom, omdat de diergezondheid in deze periode het vaakst en het meest onder druk staat. Een ander argument is dat vijf maanden na het opzetmoment, gerekend vanaf het huidige moment, vaak een hoge kalfsvleesprijs te realiseren is. Het terugverdienen van de extra voerkosten gaat het best bij een hoog aflevergewicht met een hoge opbrengstprijs.’’
Een meel/stro rantsoen kost ook geld. Wanneer wordt vervangen financieel interessant?
“Voor het voeren van meel en stro rekenen we in de eerste fase met ongeveer 34 cent per kilo droge stof. Daar moet je de kosten van een rantsoen met snijmais tegenover zetten. Wanneer goede snijmais richting 80 euro per ton in de kuil gaat kosten, inclusief hakselen en afdekken, is het verschil in voerkosten de eerste vijf weken ongeveer 15 euro per kalf. Dit komt door de hogere rantsoenkosten per kilogram droge stof en de hogere droge-stofopname. De hogere groei per dag in die periode betreft ongeveer 150 gram per kalf per dag. Zodra dit naar vleesgroei omgerekend wordt, spreek je over 5,25 kilogram extra levende groei (35 dagen x 150 gram extra groei). Uitgaande van 51,5% zou dit 2,7 kilogram extra karkas kunnen betekenen. Daarbij is een opbrengstprijs van 5,50 euro het break-even point. De overige voordelen van meel en stro, zoals hogere diergezondheid, voerefficiëntie en arbeidsgemak zijn ook harde argumenten die de doorslag zouden moeten geven. Het voeren van een meel/stro rantsoen in de tweede fase kan vooral interessant zijn voor bedrijven met aankoopprijs van 90 euro of meer per ton mais of voor bedrijven met een te hoge arbeidsdruk. Er treedt namelijk een grote arbeidsbesparing op door in deze fase meel en stro te voeren. Een ander motief om ook in de tweede fase meel en stro te voeren is als deze fase dient als voorbereiding op mesten op stro. Het op stro mesten van Belgisch Blauwe stieren gaat namelijk veel beter als de kalveren pas met een lichaamsgewicht van ongeveer 200 kilogram in de strostallen worden gehuisvest.’’
Is 80 euro per ton daarmee een soort omslagpunt?
“Het is in ieder geval een prijs waarbij het interessant wordt om goed te rekenen. Je moet niet alleen kijken naar wat een ton snijmais kost, maar naar het complete plaatje. Welke kwaliteit koop je, wat kost het rantsoen per kilo droge stof en wat doet het met de technische resultaten? Zeker wanneer kwalitatief goede mais schaars is, is het niet vanzelfsprekend dat bijkopen altijd de meest rendabele keuze is.”
Wat is dan het belangrijkste advies aan rosékalverhouders voor het komende seizoen?
“Kijk kritisch naar de snijmais die je beschikbaar hebt en zet die gericht in. Het hoeft niet vanzelfsprekend te zijn dat rosékalveren direct na aankomst snijmais krijgen. Door tijdelijk met meel en stro te werken, kun je de eigen maisvoorraad aanzienlijk langer gebruiken. Daarmee voorkom je dat je tegen elke prijs snijmais moet bijkopen, terwijl het tegelijkertijd voordelen kan bieden voor de prestaties van de kalveren.”