De voorraad Corngold, aardappelsnippers en stoomschillen op het erf van Dirk en Esther de Bont in Ulicoten is ingewisseld voor een voorraad sojahullen, palmpitschilfers en geplette tarwe. Aangevuld met snijmais, gehakseld stro, raapschroot en maismeel – wat voorheen ook al gevoerd werd – zijn de rosékalverhouders van een nat naar een droog rantsoen gegaan. Groot voordeel hiervan is het fijner werken in de stal. “Het zijn producten met een constante samenstelling. Hierdoor is het mestbeeld altijd hetzelfde en het uiteindelijke resultaat voorspelbaar”, zegt Dirk. Waar hij voorheen continu aan het rantsoen aan het sleutelen was om het mestbeeld optimaal te houden, loopt het in de stal nu vanzelf. “Ik kan zelf aan de knoppen draaien om het resultaat verder te verbeteren.”
Een ander pluspunt is de beschikbaarheid van de droge producten. Aardappelsnippers zijn in de winterdag nog wel goed verkrijgbaar, maar in de zomer minder. “Ook de petfoodindustrie trekt aan dit product”, zegt hij. “Feitelijk is het geen reststroom meer.” Daarnaast geven de snippers ongeveer een kwart aan perssappen. “Die ben je sowieso kwijt.” De leverbaarheid van Corngold is ook niet altijd verzekerd. In verband met mogelijke toxinen is het product soms ongeschikt voor veevoer. En niet leverbaar, betekent het rantsoen aanpassen. Bovendien is Corngold broeigevoelig en moet er op jaarbasis voor 10.000 euro geïnvesteerd worden in een broeiremmer. “Met droge producten heb je deze problemen niet.” Met zijn voerspecialist Klaas Wiersema van Voergroep Zuid heeft Dirk de opties nat en droog doorgerekend. Omdat het verschil in kostprijs nagenoeg nul is, was zijn keuze snel gemaakt.
Tegenover de voordelen staat wel een investering. Achter de stal is een voerstraat verrezen met drie ronde polyester voersilo’s. Hier kan hij met zijn tractor en mengwagen onderdoor rijden en het benodigde droge product toevoegen aan het rantsoen. De elektrische silokleppen zijn op afstand bedienbaar. Het voordeel van elektrisch ten opzichte van pneumatisch is dat ze niet gevoelig zijn voor vorst. Het is dus een bedrijfszekere manier van bedienen. Nadeel is dat er een naloop op zit. Dus net voordat de gewenste kilo’s in de mengwagen zitten, moet de klep dichtgezet worden. “Dit handigheidje heb je snel genoeg door.” Inclusief fundering en kleppen bedroeg de investering in de voerstraat 90.000 euro.
De droge grondstoffen bieden ook meer kansen voor voorinkoop. Zo kan het prijspeil van een bepaalde hoeveelheid droge producten op een zo gunstig mogelijk moment bepaald worden. “Ik vind dat een mooi spelletje”, zegt Dirk. Hij koopt de droge producten in met volle vrachten, zowel gekiept als geblazen. De helft van alle grondstoffen probeert hij met voorinkoop op het juiste moment vast te leggen. “In deze markt is dat puzzelen en het lukt niet altijd. Als ik het zeven van de tien keer goed doe, ben ik tevreden.” Het dagelijkse rantsoen met droge producten wordt aangevuld met 0,5 kilo kernvoer per kalf van Voergroep Zuid. Met regelmaat worden mais- en TMR-monsters geanalyseerd via NIRS-metingen van Voergroep Zuid. “Zo checken we of het rantsoen op papier ook klopt met de werkelijkheid.”
Ook bij de teelt van mais werkt de ondernemende rosékalverhouder aan een zo constant mogelijk product. Zowel op eigen grond als op de gronden van zijn vaste telers, zaait hij hetzelfde Duitse ras; Farmoritz. Dit ras blinkt uit in zetmeelgehalte en zetmeelopbrengst. Dirk: “Door alle percelen met hetzelfde ras in te zaaien, kan er in één keer geoogst worden en is de kwaliteit van de mais constant.” De inkoop van het maiszaad voor alle percelen, doet hij zelf. De kostprijs van het totale voerpakket zit momenteel op 23,4 eurocent per kilo droge stof. Daarbij is de mais ingerekend tegen 65 euro per ton. Met een gemiddelde daggroei van 1.285 gram per kalf van 52 kg tot acht maanden en een vetbedekking van circa 2,25, zijn Dirk en Esther dik tevreden over het resultaat van het rantsoen met droge grondstoffen.
Dirk en Esther de Bont hebben in Ulicoten een rosékalverbedrijf met 1.650 afmestplaatsen. Op twee andere locaties (in Barneveld en Baarle-Nassau) worden nog duizend opfokkalveren gehouden. Daarnaast hebben de ondernemers 450 afmestplaatsen voor Belgische vaarzen tot circa zestien maanden. Elke vijf weken komen er vijfhonderd nuchtere kalveren binnen, verspreid over de twee opfoklocaties. Een dag voordat de dieren naar de afmestlocatie in Ulicoten gaan, krijgen de kalveren een neusenting tegen IBR en pinkengriep.