Als het niet vriest, rijden ze zo snel mogelijk na 15 februari die eerste mest uit. “Op de meeste gronden kunnen we terecht, zelfs als er veel neerslag gevallen is”, zegt William. “Je ziet de weides dan snel groen worden. Half april kunnen we dan de eerste snede maaien.”
Met een rollend jaargemiddelde van 10.300 kg melk, met 4,53 procent vet en 3,65 procent eiwit, worden er bij de familie Steeghs mooie resultaten geboekt. Productie én kwaliteit van het ruwvoer moeten daarvoor perfect in orde zijn. Om dit voor elkaar te krijgen, wordt er in het vroege voorjaar ook bemest met Urea Pro-S. Deze meststof bevat 38% stikstof en 7,5% zwavel. Dit stimuleert zowel de grasgroei als het eiwitpercentage in het gras. Ook wordt Kali 60 gestrooid. Dit vult het tekort aan kalium in de bodem aan omdat er steeds minder dierlijke mest mag worden gebruikt.
Het melkveebedrijf beschikt over een huiskavel van 40 hectare en er is totaal 110 hectare in gebruik, inclusief natuurterreinen. Hiervan is 50 hectare grasland, 15 hectare mais en 12 hectare asperges. Op de ruim 30 hectare natuurterrein lopen ’s zomers de drachtige pinken. Samen met moeder Anita, oom Leon en jongste broer Marco, houdt de maatschap 120 overwegend roodbonte melkkoeien en zestig stuks jongvee. Met de beschikbare grond blijft de familie Steeghs ruim binnen de voorgestelde GVE-norm van 2,6 van landbouwminister Van Essen.
Gezien het grote areaal asperges, wat een arbeidsintensieve teelt is van half maart tot en met half juni, worden de koeien pas geweid na de eerste snede. Dit heeft als extra voordeel dat er een grote hoeveelheid eerste snede kuilgras van goede kwaliteit gewonnen kan worden. De melkveehouders proberen elke vier weken te maaien, al is dat wel afhankelijk van het weer. William: “Wanneer het weer slechter dreigt te worden, maai ik nog liever vóór de vier weken dan na de vier weken.” Van de eerste twee snedes van 2026 zijn de analyses inmiddels binnen. Ze zitten beide ruim boven de 1.000 VEM met gemiddeld 18 procent ruw eiwit. Het ideale scenario voor de grasoogst is volgens William ’s ochtends maaien, eventueel schudden (bij de eerste snede) en in de loop van de middag harken. “Daarna gaat het gras de volgende ochtend de kuil in.” Omdat de loonwerker dichtbij zit, en niet veel boeren ’s ochtends inkuilen, is het hakselen van het gras goed te plannen. “We bellen altijd eerst de loonwerker, daarna gaan we pas maaien”, zegt Louis. Groot voordeel van ’s ochtends inkuilen is dat het gras koud de kuil in gaat. Dit voorkomt broei en versnelt de conservering waardoor de aanwezige voedingsstoffen behouden blijven. “Ook weet je dat de loonwerker ’s ochtends als eerste werk begint.”
Om de ruwvoerkwaliteit een extra impuls te geven, voegen de melkveehouders standaard een inkuilmiddelen toe aan het kuilgras. Voor de nattere kuilen gebruiken ze 1188 van Pioneer, dat een snelle conservering geeft. Voor de drogere kuilen maken ze gebruik van 11A44. Dit gaat vooral broei tegen. Naast het inkuilen, krijgt ook het uitkuilen veel aandacht. Vader en zoon willen een zo strak mogelijk snijvlak waardoor broei en schimmelvorming geen kans krijgen. Daarom werken ze met een zelfladende voermegwagen die het gras (en de mais) snel en efficiënt laadt en mengt en een strak snijvlak achterlaat.
Ook de maisteelt krijgt volop aandacht van de familie Steeghs. Gezien de droge zomers, die steeds vaker optreden, kiezen ze voor rassen die minder gevoelig zijn voor droogte. Dit jaar is er voornamelijk P8255 gezaaid. Het maisras heeft goede landbouwkundige eigenschappen en groeit stabiel onder verschillende groeiomstandigheden. Evenals bij het gras wordt op het maisland na het inzaaien Kali 60 bijgestrooid. Dit gebeurt breedwerpig en afhankelijk van de bodemanalyses.
Johan Absil, specialist melkvee bij Voergroep Zuid, ziet in de toevoeging van Kali 60 een belangrijk aspect om de opbrengst en het zetmeelgehalte op peil te houden. “Aan het gewas zie je niet of mais 17 of 18 ton droge stof per hectare opbrengt. Maar dat zijn wel de verschillen die een extra bemesting met kalium kan geven.” Wanneer de extra kaliumbemesting meerjarig achterwege gelaten wordt, worden de opbrengstverschillen zelfs groter. De familie Steeghs oogst de mais bij 36 tot 38 procent droge stof. Dat geeft de meest optimale vertering die bijdraagt aan een hoge melkproductie. Het rantsoen van de koeien proberen ze zo lang mogelijk constant te houden. Dat betekent dat er in de winter vaak uit drie graskuilen tegelijk gevoerd wordt zodat er vrijwel geen voerwisselingen zijn. Johan Absil heeft daarbij een belangrijke taak om de kwaliteit van de graskuilen in te schatten en samen met de mais, bierbostel en de aanvullende krachtvoeders het ideale rantsoen samen te stellen. Absil: “Je kent de individuele uitslagen van de verschillende kuilen, maar je moet daar doorheen kunnen kijken om het beste rantsoen samen te stellen.”
Voor de droge koeien wordt het rantsoen aangevuld met droogstandsmineralen. In de zomer betreft dit Droogstand KAB Zomer dat speciaal is ontwikkeld om hittestress te voorkomen. “Dit jaar heeft dat heel goed uitgepakt”, zegt William. “Een lagere voeropname door warmte kan namelijk een negatieve invloed hebben op de gezondheid en melkproductie.” Naast vitaminen en mineralen bevat Droogstand KAB Zomer ook OmniGen. Deze toevoeging ondersteunt het immuunsysteem en helpt de negatieve effecten van hittestress te beperken.
Sinds dit jaar voert familie Steeghs de kalvermuesli TOPP Muesli Compleet Prestatie van Voergroep Zuid aan de jongste kalveren. Met deze muesli leren de dieren al na een paar dagen vast voer op te nemen waardoor de pensontwikkeling snel op gang komt. Een goede en snelle pensontwikkeling vertaalt zich later naar hoogproductieve koeien die lang, veel melk kunnen geven. William Steeghs merkt dat het voeren van de muesli zijn vruchten afwerpt: “Je merkt dat ze na een paar dagen steeds meer opnemen. Als de opname sterk toeneemt, mengen we de muesli met kalverbrok en bouwen de muesli af.”