Normaal gesproken begint de afrijping van de maisplant bij de onderste bladeren. Door de aanhoudende droogte en felle zon zijn op veel percelen inmiddels ook boven de kolf bruine bladeren zichtbaar. Volgens De Beer is dat een eerste teken dat de plant ‘noodrijp’ aan het worden is en het tijd wordt om te hakselen. ‘’Wanneer de bladeren bruin worden en de kolf gaat hangen, stopt de sapstroom in de plant en wordt er geen zetmeel meer gevormd. De melklijn in de pit zakt niet verder, waardoor langer wachten geen zin heeft.’’
Bovendien droogt de plant bij langer wachten verder uit en de pit droogt in. Dat kan leiden tot een te droog product in de kuil, dat voor koeien moeilijker verteerbaar is. ‘’De ervaring leert bovendien dat in zo’n droog jaar de mais in de kuil vaak nog droger uitvalt dan vooraf ingeschat. Bij twijfel is het daarom beter om niet te wachten en direct te hakselen.’’
De Beer ziet dit jaar veel variatie tussen percelen, maar ook binnen percelen. ‘’Ongeveer 80 procent van het beeld dat je van een perceel hebt, is bepalend voor het hakselmoment. Beoordeel ieder perceel afzonderlijk. Een beregend perceel kan bijvoorbeeld aanzienlijk later rijp zijn dan een niet-beregend perceel.’’
In zo’n situatie kan het verstandig zijn om op verschillende momenten te hakselen, met minimaal zeven tot tien dagen ertussen. ‘’Mais heeft in de laatste zes weken van de afrijping ongeveer 60 millimeter water nodig. Wie al is begonnen met beregenen, doet er daarom goed aan nog een extra beregeningsronde mee te pakken in plaats van te stoppen’’, legt Mark uit.
Bij droge mais adviseert De Beer een haksellengte van zes tot acht millimeter. ‘’Fijner gehakseld product is beter te verdichten, waardoor de kans op broei en schimmel afneemt.’’ Ook adviseert hij om bij het inkuilen altijd een toevoegmiddel te gebruiken. Uit onderzoek blijkt dat hiermee in de kuil circa tien procent meer zetmeel behouden blijft. ‘’Zonder toevoegmiddel gaat er dus van iedere tien hectare mais ongeveer één hectare aan zetmeel verloren.’’
Tot slot is een goede verhouding tussen de aanvoersnelheid en het aanrijdgewicht belangrijk. Als vuistregel geldt 1 op 3. Bij een 15-tons loader op de kuil mag ongeveer 45 ton mais per uur worden aangevoerd, dat is gemiddeld één hectare.
De boodschap is duidelijk: houd de afrijping goed in de gaten en wacht bij twijfel niet te lang. Mark: ‘’Benader de loonwerker tijdig voor het juiste hakselmoment en zorg dat het inkuilmanagement op orde is. Zo behoud je zoveel mogelijk van de kwaliteit die van het veld komt.’’
Op zand- en lössgrond is het verplicht om direct na de maisoogst een vanggewas te zaaien. Mogelijkheden zijn onder andere grassen, wintergranen, Japanse haver, bladkool en bladrammenas. Omdat de mais op veel percelen vroeg geoogst wordt is er ook nog de mogelijkheid om een voedergewas te zaaien, dit kan dit najaar nog tot 1 of 2 snedes leveren.
De Beer adviseert om vooraf te bepalen welke percelen als grasland gebruikt gaan worden. ‘’Op die percelen ligt gras als vanggewas voor de hand. Wil je bijvoorbeeld geen glyfosaat gebruiken, kies dan voor een vorstgevoelig vanggewas, zoals Japanse haver of bladrammenas. Deze gewassen vriezen in de winter af, waardoor je het vanggewas daarna alleen mechanisch hoeft te verkleinen.’’